Een bezonnen en fantastisch 2010

01/01/2010

bezonnen en fantastisch

U allen heb ik lief.

Vlaanderen, O Vlaanderen

24/12/2009

In Wallonië was ik, de titel deed het al bijna vermoeden. In de studentenstad Louvain-la-Neuve om heel precies te zijn. Het was er koud daar in het nieuwe (franstalige) Leuven. In Bruxelles-Midi stapte ik op een boemeltreintje dat in ieder dorpje waar een perron of iets dergelijks lag halt hield en van waaruit ik een winters landschap, dat mij reeds op een barre kilte voorbereidde, aanschouwde. Ik werd door twee psychologes naar hun laboratorium gebracht. Daar werkten we. De ene psychologe kwam uit Amerika. De andere uit Cuba. Ze deelden een kantoortje. In een aftands universiteitsgebouwtje in Walloniè. Het zal niemand verwonderen dat ik dat tamelijk curieus vond. ´s Avonds nam de Amerikaanse me uit eten in Bruxelles. Dat was allemaal niet verkeerd.

Maar het blijft werk..

De twee dagen daarvoor was ik in Gent. Ook wel Hermanbrusselmansville genoemd. Door mij tenminste. Ik weet niet hoe de Gentenaeren er zelf over denken. Herman kon ik echter nergens vinden. Het was okay. We hadden elkaar een jaar of twee terug al eens gesproken en we zagen geen noodzaak telefoonnummers of adressen uit te wisselen. Dat noem ik ware vriendschap. Er op vertrouwen dat je elkaar in de toekomst wel weer tegen zult komen. En wanneer dit niet het geval is, dit de vriendschap niet ontbindt. Allez, genoeg pseudo-Quatsch. Ik heb de schrijver niet gevonden en hij mij ook niet. Godzijdank, want ik vond hem spuuglelijk en hij mij geloof ik ook.

Ook in medisch centrum Gent (of hoe het ziekenhuis ook heet) heb ik gewerkt.

Terug naar Bruxelles. Daar was ik een halve dag op het Erasme en had ik een middag vrij. Omdat het begonnen was te sneeuwen, ben ik in plaats van de stad, een bibliotheek ingetrokken. De nationale bibliotheek was dat. Daar werd ik lid voor één dag. Van het boek, het Kristalpaleis van Peter Sloterdijk, dat ik er herlas, heb ik weinig meegekregen; ik had met name oog voor al het Belgisch Schoon dat er rondliep. Buiten zag ik kleine jongetjes sneeuwballen in elkanders nek smijten en gleed een ouwetje van de stoep, daarbij waarschijnlijk de een of andere heup brekend. Al met al een gemoedelijk schouwspel, het leek de Winterefteling wel.

Op het vliegveld wachtte ik op de vlucht terug naar Berlijn. Daarbij leerde ik een Peruaan uit Ieper en de dochter van een Vlaamse volksvertegenwoordiger in Berlijn kennen. We wachtten en wachtten. Na vier uur vertraging stond er eindelijk een besneeuwd vliegtuig bij onze gate. Een vliegtuig dat niet vliegen zou. De vlucht werd kort voor middernacht gecancelled. “Kak,” dacht ik nog. Maar Rudy zou Rudy niet zijn als hij in zo’n situatie niet enorm veel geluk zou hebben… Dus mocht ik bij dat meisje overnachten en reed ik ’s ochtends lekker met de ICE naar mijn geweldige stadje. Daar vond ik Leni die me omhelsde alsof me nooit meer los zou laten. Daarna volgden vier fijne dagen in Berlijn. Het mooiste begin van de kerstvakantie sinds jaren.

Thans bevind ik mij in Brabant. Zu Hause. Voor het kerstfeest. Waar ik langzaam toch veel zin in heb gekregen.. ik wens u allen een droomfeest!!

Advent.. jippie..

10/12/2009

De linde voor mijn balkon heeft al haar geblaarte uigeweend. Een druppende takkengeraamte is wat er overbleef. Aan de andere kant van de straat verlaat de overbuurvrouw de woning om haar tekkel uit te laten. Die loopt al maanden mank. Die tekkel bedoel ik. Niet de overbuurvrouw. Die is wellicht even vetzuchtig als die hond van haar. Maar mank lopen zag ik haar nog niet.

Doch genoeg over vetzuchtige wandelende worsten.

Het is nat. En winter. Mijn kloten zijn weliswaar nog niet uit mijn zak gevroren, maar het zit er spoedig aan te komen. Ook de winter heeft zo zijn lichtpuntjes.

Afgelopen weekend was ik op een Weihnachstmarkt. Dat is een verzameling van apres-ski-achtige kraampjes waar men allerhande snuisterijen kopen kan. Mijn oude huisgenoot Tom merkte op dat die Duitsers er wel verstand van hadden: “Overal valt er wel wat te vreten te halen. En bij gebrek aan vreten is er alcohol.”

Glühwein ja..

Het is toch algemeen bekend van ander smerig spul als cola en bier dat je het zo sterk mogelijk moet afkoelen om het zonder kotskrampen je slokdarm in te kunnen mikken? Kan iemand me dan vertellen wie er ooit met het achterlijke idee in zijn hoofd is gekomen om die ranzige bocht te gaan verhitten??

Niemand? Daar was ik al bang voor.

Maar het past allemaal in de kersttraditie. In de gezelligste tijd van het jaar. Nu, ik vind het helemaal niet gezellig. De linde voor mijn balkon is al haar mooie blaadren kwijt. En de mensen in de straten struinen starend naar de stoep. Vale blikken ontroosten het straatbeeld. Wat staat ons te komen? Vadertje vorst? En dan nog sneeuw? Die maarliefst één dag leuk is, dan enorm begint te vervelen om na een week ronduit irritant te worden…

Kan iemand mij vertellen waar de hemel begint?

Ich bin doch sicher Sinterklaas nicht

06/12/2009

Der Nikolaus hat ernsthaft nachgedacht
Was wird dieses Jahr doch zum Geschenk gemacht??

Die hübsche Mädels und der rotharige Knabe
haben schon einander: eine coole WG ohne Schwabe

Der Stasiklaus krieg alles mit, er ist immer am Überwachen
Und was er dann so sieht bringt ihm manchmal zum lachen

So trinkt ihr da manchmal in der putzigen Nische
Oder spielt mit Fingerpuppen unter den Tischen

Jana hat im letzten Monat ihre Bachelorarbeit geschrieben
Und Leni wäre am liebsten in Brasilien geblieben

Stolz ist der Klaus, wenn er sieht was ihr so macht
Darum hat er euch etwas süßes aus Holland mitgebracht

Oft ist er im Ausland, weil er so gerne Überstunden schiebt
Behalte aber immer im Hinterkopf: der Klaus hat euch lieb!!

Een soort van revolutie

30/11/2009

Het is maandagavond en ik nip aan een longdrink wodka met ijs. Een Guggenheimer noemde Herman Brusselmans dat geloof ik. Of hoe zat dat ook  alweer in zijn trilogie “Mijn hoofd loopt om”? Ik kan het me helaas niet meer herinneren. Het is te lang geleden dat ik de zelfbenoemde Vlaamse grootmeester der literatuur gelezen heb.

Boeken lezen doe ik sowieso niet veel meer.

Een poster las ik echter heden middag. Een van de vele posters die hier van de muren komen druipen en als zwerfhonden onopgemerkt op de stoep liggen te nietsen tot iemand hen de goot in komt vegen. Ik wil geen posters in de goot vegen. Ik lees ze.

Afgelopen weekend was ik wandelen in het Harz, een natuurpark waar ik een bepaalde berg beklom en voor eenmaal met de berg meevoelde hoe het is om door regen en wind te worden gegeseld. Het gebergte lag donker bij. Het geboomte droeg geen blad doch naald en stond er volledig op zichzelf aangewezen in de wind te huilen. Een godverlaten eindejaarslandschap. Hier lagen duizenden jaren eenzaamheid.

Zondagmorgen in Berlijn ging ik joggen op het schiereiland, waar het even zo winter werd als in het Harz, maar waar op zijn minst de zon nog scheen en de hele natuur weer vrolijk op mij overkwam. Thuis aangekomen verbracht ik de ganse middag in de keuken waar uitgebreid gefrühstückt werd. Veel deed ik verder niet. Een beetje voor me uit zondagmiddagen.

Tijdens de barre tocht door de afgelegen bergen hadden de wind en de regen de gedachten van me af laten spoelen. Zondagnacht had alle kou zich omgezet in warmte. Toen ik in slaap was gevallen, werd ik door een godin bezocht. We hielden elkaar vast en zoenden alsof we nooit meer zoenen zouden. We hadden geen idee wat we deden, maar we deden het.

Stralende ogen der eeuwigheid

25/11/2009

Er schijnt een griepje te heersen in Berlijn. Ik heb er nog weinig van gemerkt. Volgens mij ben ik niet zo Grippe-empfindlich. Ik geloof dat ik nog nooit door een griepje gegrepen werd. Nouja nooit. Ik zou het in ieder geval aan ons moeder moeten vragen..

Het leven kabbelt vrolijk verder in de Weichselstraße. Met al dat gereis is het toch de sleur der alledaagsheid die ik het meeste ben gaan waarderen. Mijn eigen Turkse bakkertje op de hoek. De beroepsalcoholisten op de Wismar Platz. De koffiemeisjes in de Aroma Lounge. Of de geur rondom Fleischerei Domke op de Warschauerstraße die elke middagspauze vol zit met harde werkers die genieten van hun warm bord Duitse Hausmannskost.

Blutwurst met Sauerkraut, Schnitzel met Rotkohl, Königsberger Klopse, Kohlroulade, Eisbein of een Bullette in een Brötchen. Berlijnser krijg je het niet. En of je nu een bouwvakker bent, een hippe student, een Rentner, werkloze of een yuppie als ik, het maakt geen donder uit. Iedereen zit er te smullen alsof ze weer bij moeder thuis zijn.

Aan mijn eigen moeder denkend, fiets ik richting huis.

Er liepen twee kindjes naast hun moeder door de straat. Ik droeg een grote tas met boodschappen. Zij droegen allebei een lampion. Toen ik thuis kwam ontstak ik drie kaarsen in de keuken. Op de keukentafel dampte een ovenschotel. Twee ogen kwamen de keuken binnen en straalden naar me alsof ze me al jaren niet hadden gezien. Ik werd omhelsd en kreeg een kus. Ik geloof dat ik nooit meer ziek zal worden.

Gezeten in een trein..

18/11/2009

“Gezeten in een trein wordt het pas duidelijk voor zij die thuis zijn in de Gestaltpsychologie : het geheel is meer dan de som der delen,” legde goede vriend Stennis Dak me acht jaar geleden voor de eerste keer uit. In de trein tussen Tilburg en Breda. En ik moet er iedere treinreis weer aan denken. Thans bevind ik mij in een ICE van de SBB, de Schweizerische Bundesbahnen, en dat zijn fijne treinen om eens over de Gestaltpsychologie te pijnzen.

We glijden haast geluidloos vanuit Lausanne de heuvels omhoog. Door de enorme vensters worden we op een imposant panorama over het meer van Geneve getrakteerd. Op de glooiende grasvelden staan enkele koeien voor de derde of vierde maal hun dagelijkse portie Zwitsers gras te herkauwen. In de verte maken de besneeuwde delen van enkele bergtoppen het geheel nog groter dan het eigenlijk is.

Dit zou een postkaart kunnen zijn.

Tegenover me zitten een moeder en dochter gefascineerd naar mijn schoenen te kijken. Ze spreken een taal die me bekend voorkomt, maar die ik niet verstaan kan. Van een afstandje lijkt het op Nederlands, van dichtbij op een Duitser die zijn Curryworst uitkotst: Schweizerdeutsch. Of Schwizerdütsch voor de puristen onder ons. Als ik het meisje de nieuwe NEON aanbied, blijkt vooral haar moeder ook een aardig woordje Hochdeutsch te spreken.

“Wat ik in Zwitserland kwam doen? En waar ik naartoe reis? Waar dat vreemd te plaatsen accent vandaan komt? Engeland? En waarom ik dan toch zo vloeiend Duits kan spreken? En of ik die schoenen in Italië heb gekocht?”

Vragen… vragen… vragen… waarop ik geduldig antwoord geef. En met elk antwoord nog meer verwarring breng:

“Ik werkte in het CHUV. Een soort van Medisch Centrum West, maar dan in het noorden van de stad. En nu reis ik terug naar Berlijn, waar ik sinds twee jaar woon. Ben in Nederland geboren.. tsja, en niet in Engeland. En die schoenen kocht ik ooit in Singapore. En morgen ben ik heel de dag op pad met een doctorante uit Napels. Ik reis wat af ja. En ik heb er lol in.”

Waarom de Gestaltpsychologie daar nu bij om de hoek kwam kijken, is niet echt duidelijk geworden. Mijn leven blijft voor mijn medereizigers een onsamenhangende som der delen. Pas bij landing komt de oplossing aan het licht. Waar ik ook heen reis, of waar ik ook vandaan kom, dit is het refrein van al mijn liederen. Hier smelten alle delen samen om dat ene grote prachtjuweel te vormen: Berlijn.. het gemoedelijke geheel van mijn bestaan.

Droomachtige zondagmiddagwandeling

15/11/2009

“Hey eihoofd, kom je nest uit.. de zon schijnt, we moeten naar buiten!!” Leni staat op mijn deur te bonzen. Ik schrik wakker en spring mijn bed uit. Met een handdoek over het hoofd om de uitwerking van de wijn van gisteren te verbergen, strompel ik naar de badkamer. “Hahaha!” lacht ze me uit, “heb jij een kater??”

Ja. Die heb ik. Een terminale kater. Eentje die vanuit mijn visuele cortex de ogen uit mijn kop probeert te boksen. En daar weet ik zo enorm van te genieten. Omdat ik de afgelopen dagen door een slechte luim gekweld werd, leek het me een goed idee om mezelf eens duchtig af te schieten. Een harde reset. Aldus geschiedde.

Als ik ein wenig aufgewacht uit de badkamer stap, staat er een heerlijk ontbijtje op me te wachten. Ik drink een dampende bak zwarte koffie en eet een krokant croissantje. Chet Baker vult de keuken met zoete voois. Zo zou elke zondagmorgen mogen beginnen.

“Zal ik een kotszakje voor je meenemen?” lacht Leni en ze geeft een aai over mijn hoofd. “Gerne..” zeg ik en ik schiet ook in de lach. Mijn aura schijnt nog een klein beetje na te lekken.

Wat volgt is een heerlijke zondagmiddagwandeling. Eerst door onze buurt waar ik als een kind zo enthousiast naar alle kleine bezienswaardigheden loop te wijzen. Soms lijkt het wel alsof de wijk iedere week een andere gedaante neemt. We passeren het woonwagenkamp voor de Modersohnbrücke waar het altijd naar open haard ruikt en lopen richting het MTV gebouw aan de Spree.

Op naar Alt-Stralau.

Het Stralauer schiereiland is een van mijn favoriete plekjes in Berlijn. Ik heb er met Sproet een van de meest ontspannen zondagen van dit jaar beleefd. In de warmte van de zomer was dat. Lagen we heerlijk aan het water. Maar zelfs aan het einde van de herfst is het een aangenaam stekkie voor de zondagmiddag. We worden door joggers ingehaald en passeren twee oude mannen met dikke snorren en eeltige arbeidershanden die naar de deining van de dobbers in de Spree staren. Al wandelend vinden we elkanders warme hand.

Aan het einde van de wandeling halen we bij de Nederlandse friettent om de hoek een frietje dat we op weg naar huis samen delen. Thuis aangekomen voel ik me fris en gelouterd. We ploffen neer op het bed dat we anderhalve week geleden samen in elkaar timmerden. Ze legt haar hoofd op mijn borst en haar hand op mijn kruin. “Es war traumhaft heute..” zegt ze zacht. Terwijl ze in slaap valt, luister ik naar haar ademhalen wat het mooiste ritme van de dag is. Ik voel me weer gelukkig. Traumhaft was het inderdaad.

Novemberflarden

13/11/2009

Langzaam is het winter aan het worden in Berlijn. De gezichten der mensen worden fletser en in het straatbeeld zal een grauwe novemberschaduw traag, doch zonder mededogen het bonte herfstboeket bedelven. In de regenplassen komen wolkenflarden voorbij gegleden. Het zijn de donkere spiegels der binnenstad.

Naast de geldautomaat van de Sparkasse in de Warschauer Straße ligt onder oude smutzige dekens een zwerver te slapen. Het ruikt er naar een muffe combinatie van urine en natte hond. Hij had het geluk dat niemand hem uit deze ruimte is komen schoppen. Of misschien ligt hij er nog maar net. Wie zal zeggen hoe lang hij huiverend door de straten doolde op zoek naar beschutting voor de kou?

Een jonge moeder wil met haar zoontje de ruimte binnentreden. Bij het venster aangekomen wijst het menneke naar de grijze hoop ellende naast de pinautomaat. Uit de mouw van zijn jas bungelt een veter met een rode want eraan verbonden. De moeder neemt de hand van haar zoontje en loopt verder. De volgende automaat is honderd meter verderop.

Ook ik loop verder. Ik wil zo snel mogelijk naar huis.

Boxhagener Platz is onverlicht. Ik blijf er even staan om in de donkerte te turen. Het duizelt voor mijn ogen. Ik hoor gedempte stemmen schreeuwen en zie er vage gestaltes op me af komen rennen. In paniek probeer ik weg te komen, voel een harde klap en struikel over mijn eigen benen. Als ik wakker word, is mijn kamer een strand geworden waar we als drijfhout der tijd op hetzelfde moment aan zijn komen spoelen. Ik neem jouw hand en we worden vederlicht. De wind neemt ons in zijn handen en blaast ons de leegte in.

Oost, West, thuis best - een schrijven

10/11/2009

Lief huisgenootje,

De hele wereld schrijft over wat er twintig jaar geleden in Berlijn gebeurde. Kan jij je nog herinneren wat je twintig jaar geleden deed? Ik niet. Jij was zes en woonde in Karl Marx Stadt. Ik was acht en liep op klompjes over de Westbrabantse klei. Waarschijnlijk zaten we op die bewuste avond met onze ouders op de bank en verveelden ons daarbij.

Of waren je ouders toen al gescheiden? Dat soort dingetjes weet ik allemaal nog niet precies. Maar dat geeft niet, toch? Laten we niet teveel tijd verkwisten met dat soort wetenswaardigsheden en doen waar we goed in zijn: het ledigen van flessen wijn en de keuken benevelen met blauwe sigarettenkwalm.

Of wacht.. daar doe ik ons Zusammensein wellicht toch iets te kort.

Want we bouwden samen al je IKEA meubels in elkaar zonder een handleiding raad te plegen. Die hadden we namelijk niet. We schroefden en hamerden er op los en hier en daar bleven er wat ondefinieerbare onderdeeltjes over. De kommode stond uiteindelijk te scheef en het matras lag veel te hoog of veel te laag… het stond eigenlijk wel goed zo. We hadden lol en voelden ons na de gedane arbeid meer dan voldaan.

Voorzichtig verhuisden de spullen vanuit de kartonnen dozen naar de kasten en de lades en werd jouw kamer beetje bij beetje jouw eigen domein. Je eigen warme nest dat je na een lange werkdag omhelzen zal en waar de plantjes op je vensterbank naar je zullen lachen. Heb ik al gezegd dat het sinds jouw komst zo zoet en prettig geurt in onze woning?

Bij deze..

Wat we twintig jaar geleden deden of waar we ons bevonden, is inmiddels nog niet duidelijk geworden, maar dat doet er ook niet toe. Wat er toe doet, is dat ten gevolge van De Val wij elkaar na twintig jaar gevonden hebben. In ons klein appartementje in de Weichselstraße. Waar we gisteravond op jouw bankje tegen elkaar aan lagen en naar de andere kant van je kamer hebben gestaard. Het was er lekker warm in dat nest van jou en we hebben fijn gekletst. Aan het einde van de avond zei je uit het niets: “Ich hab dich jetzt schon lieb, Rudy.”

En ik ook nu al veel van jou..

Je huisgenootje.