Ook op zondag scheen weleens de zon te schijnen
Het zal een uur of vier geweest zijn, na alweer een avond fuiven met Steffen, toen ik op mijn bed neerplofte en ik je berichtje nogmaals las. Het voelde goed om te weten dat jij dit nu alles mee zult lezen. En dat je weet dat in deze opgewekte Sunny Boy ergens ergens ook een Sonny Boy steekt. Ik. Weleens droef van geest. Het zondagskind dat worstelt met de andere zes dagen van de week. En daar onleesbare boekdelen over volschrijft.
Tsja…
De laatste tijd viel er echter weinig te jammeren. Het leek alsof het arbeidersbestaan me pijs en vree was komen brengen. In plaats van sleur, verveling en het einde van mijn sociale leven.
Deze week ga ik zelfs naar India. Voor mijn werk, dat wel, maar wie had dit ooit durven dromen? Het roodharige mannetje op zijn rode Loeki-fietsje in 1986 in een buitenwijk van Oudenbosch waarschijnlijk niet. Toen wilde ik nog boer worden. Met koeien en schapen en kippen en een haan. Ook als je het me een half jaar geleden had gevraagd, zou mijn respons zijn dat ik nooit naar een land zou afreizen waar de mensen met zijn allen gezellig geen koeienvlees eten.
Um Gottes Willen!
Maar de tickets zijn geboekt. Het welkomstcomitte is opgetrommeld. Er is geen ontkomen aan. Noodgedwongen zullen we elkaar de komende weken niet kunnen zien. Net nu ik je pas heb leren kennen. En er na elke keer als ik je zag meer glimlach in mijn leven kwam. Zelfs toen je me vertelde dat je al heel lang een vriendje hebt. Het was de bevestiging van mijn bestaan. Het levende bewijs dat ook op zondag weleens de zon niet schijnt.