Ontdooien, vooraleer het weder vriest
Het is vier uur ’s nachts en ik lig te rillen in mijn bed. Op het binnenhof is het na een lange nacht van spookachtige geluiden eindelijk stil geworden. Ik ben klaarwakker. Wellicht dat de stilte me heeft gewekt.
Of de kou.
Uit het venster starende, ontwaar ik een wonderlijk winterfenomeen. De gehele nacht heeft asem zich op de koude wangen van het venster gecondenseerd. De vensterruit warmde zich daarbij kortstondig op om vervolgens aangeslagen af te koelen tot een nog lager niveau. Thans is het venster een boeket van ijsbloemen, dat schittert in het licht van de olielamp op het bureel.
En het is pas herfst.
De kans is groot dat het hier behoorlijk koud gaat worden. Ik huiver voor een maandenlange geseling door liefdeloze winterbriezen en de kale kilheid van het landklimaat.
Ik geef een zwier aan de knop van de verwarming en terwijl het gloedwarme water wervelend door de leidingen van de radiator raast, denk ik aan de mooie herfstmiddag die ik gisteren met Sybille had. Keuvelend, lachend en van haar aanminnigheid bedwelmd, wandelde zij naast mij door de lanen van Tiergarten waar we deel uitmaakten van een vertederende beeltenis in een troostrijk herfstpalet.
Als ik mijn ogen sluit, merk ik dat mijn kamer langzaam weer op temperatuur begint te komen. Warmte komt en kilte gaat. De stroming der seizoenen die haaks staat op het getij van mijn gemoed. Gisteren is mij een warme periode van samenzijn beloofd. Met een lach op mijn gezicht draai ik mij om en val in slaap.

Pic via matati’s Flicker
om 09:09
romantiek, schromantiek!
om 22:29
hoer, moer.