Fantoomwee

Ostkreuz, zondagmorgen. Ik sjok terug van een illegaal feest in een verlaten fabriekshal. Een rat rent langs een stoeprand. De mensen waren nep. Om de hoek ligt een dode vogel te rotten. En de muziek was kut. Hondenpoep. Sterf allemaal lekker in je graf!

Ik wil hier helemaal niet wezen. Ik ben hier zomaar per abuis. Verzeild geraakt. Verkeerde trein. Ik wil hier helemaal niet zijn. Theo Nijlands woorden gonzen door mijn hoofd.

Wat doe ik hier in ‘s hemelsnaam? Waar zijn mijn vrienden? Waar is die lieve schat die de fijnste knuffels van de wereld geeft? Is dit heimwee? Is het onmogelijke mogelijk? Ben ik mens?

Nog vier haltes en ik ben weer thuis. Ik kies een stoel die loodrecht op de rijrichting staat. Dit wordt zwaar. Tegenover me twee ouwetjes van dagen. Mijn gare hoofd maakt weinig indruk. Geen klachten over de graflucht die mijn keel verlaat. Vier haltes verder een groet en tot nooit meer ziens.

Sonny Boy please bring me some flowers… ik trek het niet meer.

Vanuit de binnenzak van mijn jas grijp ik mijn handy. Toets 0031… En dan plots achter mij een stem. “Hey rrrudy!” De rollende r en de vrolijke klanken van het meisje dat het woord vergeten is vergeten. “Hoe klinkt In een warm bed kruipen met een bak koffie, croissantjes jam en kaas?” “Dat klinkt alsof ik weer thuis ben.”

Toen ik weer wakker werd een zoen. De zoetigheid van haar lippen. Het raspen van mijn ochtenbaard langs haar zachte wangen. Ik ben thuis en thuis bestaat niet. In ons nakie hebben we Heimwee uit het woordenboek geschrapt.

U reageert maar ergens anders.