Vrijwillige insomnie
Als je in een stad leeft die nooit slaapt, wil dat niet meteen zeggen dat je niet meer hoeft te slapen.
Het is elf uur, vrijdagmorgen. De afgelopen twee uur heb ik viermaal een poging gedaan mijn fouten van gistermiddag te herstellen. Ik schrijf wat, doe een poging om het terug te lezen en ik schrap wat. Langzaam maar zeker zullen de lelijke contouren van de dag de schoonheid van de nacht verdrijven.
Het draait voor mijn ogen. Woorden, beelden, geuren, alles vliegt voorbij. Het ene moment voel ik Haar nog op mijn borst liggen en het andere moment staar ik naar een scherm met letters die op dit moment geen betekenis hebben. Mijlenver hoor ik twee collega’s lachen om een flauwe Duitse grap. Als ik mijn ogen open blijken ze pal naast mijn bureau te staan.
Mijn hoofd is het epicentrum van mijn brakheid. Het chronische tekort aan nachtrust heeft als een moker op mijn tere hoofd geslagen. Mijn werk consumeert me, maar de avonden met Haar zijn te mooi om over te slaan. En nu staar ik met loodzware zakken onder mijn ogen naar mijn horloge waarop de tijd slecht vliegt.
Wat vanavond me zal brengen is de vraag, maar de gedachte dat ik me dan weer kan omringen met haar zachtzoete appelgeur stemt mij meer dan goed gezind. Buiten ziet de lucht blauwer dan dat hij gister was. Er spelen kinderen met een bal.