De hardloopster (5)

Het is twee uur op een bepaalde zondagmiddag in april als de hardloopster en ik door de stad heen joggen. Passanten genieten van een italiaans schepijsje en stappen vriendelijk knikkend opzij. In het stadswandelpark besluiten we te rusten en leggen we ons neer op een grasveld.

Voor eenmaal is het er groener dan bij de buren.

We hijgen wat na van de inspanning en ik probeer iets doms te bedenken waarmee ik de stilte kan doorbreken. Het weer en de perikelen van ijsbeer Knut kruisen mijn gedachten, maar ik besluit om mijn stem niet te verheffen. Er is niets mis met deze zondagsrust.

Wanneer je samen uren kan zwijgen zonder dat het gaat vervelen weet je dat het goed zit. We ademen quasi synchroon op een niets aan de hand tempo. Soms kijk ik haar aan om die glimlach in haar ogen weer op te zoeken. Ik constateer dat de hardloopster veel meer schoonheid bezit dan dat ze zelf beseft. En dat maakt haar nog weer mooier.

Op deze bepaalde zondagmiddag kijken we naar andere jonge mensen die op geruite kleden de eerste wijnfles open trekken. Alles gaat op zijn gemak. De stad lacht omdat de winter voorbij is. Het leven is weer op gang gekomen. Tijdens deze eerste subtropische dag slaakt de stad een zucht waarin opluchting weerklinkt.

Er volgt een tedere zomerkus die korter duurt dan dat hij lijkt. Mijn dag kan niet meer stuk. We staan op en hervatten onze training. Op de terugweg heb ik nog steeds niets te melden en er is niemand die daar iets om geeft.

U reageert maar ergens anders.