Iets met bollen

Gezeten in een trein wordt het pas duidelijk voor zij die thuis zijn in de Gestaltpsychologie:

“Het geheel is meer dan de som der delen.”

Een principe dat me jaren terug uitgelegd werd door mijn lijfarts Stennis D en destijds op mijn onbevlekte betabrein insloeg als iets anders wat je ook niet zo een, twee, drie verwacht. Op de Technische Akademie waar ik mijn opleiding geniet is er tot op heden geen enkele hoogleraar geweest die gewag maakte over deze theorie. Een schande, me dunkt! Nu is het niet de eerste maal dat ik deze stelling de revue laat passeren in mijn schrijfsels, integendeel, maar iedere keer als ik een treinreis heb gemaakt dan doolt die zin weer dagen door mijn gedachten. Doch ter zake…

Enkele kilometers voor de Duitse grens, en dus ver verwijderd van het dorp waar ik mij de komende maanden zal bevinden, werd ik reeds geconfronteerd met een lokale specialiteit. Berliner Bollen. Ten minste, dat dacht ik. Het betrof twee stuks door de Almachtige zelve geboetseerde bollen van Rubens-allooi.

Ja lieve mensen, jullie lezen het goed: ik was nog niet met een been de grens over, nog ruim voordat ik anaal gevisiteerd zoude worden door een corrupte douanière of ik liep alweer te geilen op exotisch vleesch.

Plotsklaps was het mij geheel duidelijk. Ik zou mede gaan delen in de vreugde die Duitsland heet, sterker nog, zonder mij zou het geheel niet compleet zijn. Bij die gedachte verstijfde mijn lid en begon mijn hart te reutelen. Ik stond op, stak de coupé over en begon vlak voor het gezicht van de draagster van het zoete lichaam een lied van Boney M te zingen. Daddy Cool om precies te zijn. Een performance die ik met asymmetrische heupbewegingen kracht bijzette. Toen ik bij het tweede couplet aankwam draaide ik mijn hoofd een kwartslag en hapte ik als een junk zonder stuff naar adem.

“Schöne Berliner Bollen,” schreeuwde ik, niet geheel in de richting van het meisken.

Afijn, de conductrice (een eersteklas kenau) werd erbij gehaald om mij met enkele Duitsche krachttermen tot bedaren te brengen. Nu, ik wilde niet meteen mijn eerste nacht in een cel doorbrengen met Poolse gastarbeiders en de Westfaalse achterneef van Marc Dutroux dus ik besloot de kaartenknipster slash lokale ordehandhaafster geen duitse kreeft toe te wensen. Ten minste niet hardop, moge dat duidelijk wezen. Tot groot genoegen van Elise, want zo heette het wicht met de jetsers. Ze was zelfs zo vriendelijk om mij uit te leggen dat die bollen waar ik ooit van gehoord een lokale lekkernij is: Berliner Pfannkuchen. Ook erg süß naar het schijnt.

Van het een kwam het ander en zo is dus uiteindelijk mijn zoon verwekt, die we met een knipoog naar onze eerste ontmoeting Bobby Farrell Kaals hebben genoemd. Waarvan akte!

U reageert maar ergens anders.