De afvallige schuinsmarcheerder (5)
Sem was inmiddels, hier en daar kriskrassend langs wat laaghangende takken, aan het einde van dat pad van slijk gekomen. De keuze om links danwel rechts af te slaan was gauw gemaakt toen hij aan zijn rechterzijde in de verte het witte voorlicht van een fiets zag naderen.
Sem sloeg linksaf.
De arme ziel had weinig fut meer in zijn lijf. De tocht door de modder was in zijn ongetrainde x-benen gaan zitten en na vier jaar een pakje Luckies per dag waren ook zijn longen niet gespaard. Sem hapte als een makreel op het droge naar adem toen hij vanuit zijn linkerooghoek op het fietspad een fel licht zag naderen. Met half opgeheven hoofd keek Sem naar opzij. Er passeerde hem een meisje.
‘Hoi,’ zei ze met zoete voois. Een fractie van een seconde smolt Sems blik samen met die van haar. Als een baren in de branding van een tropische zee spoelde er een warm gevoel aan in zijn onderbuik. Ondanks het feit dat de avond zwarter was dan ooit tevoren durfde Sem te concluderen dat hij zojuist begroet was door een verschrikkelijk mooi meisje.
‘Het is lang geleden dat zo een leuk meisje spontaan iets tegen me zegt,’ dacht Sem. ‘Er wordt überhaupt niet veel uit vrije wil tegen me gesproken en dan nu door deze mooie rode, met haar krullen en alles. Misschien moet ik iets terug…’
Sem keek omhoog en zag dat het meisje, met haar rode lokken en alles, inmiddels vijf meter voor hem uit fietste.
‘Euhm… Ja, hoi…’ sprak hij onverstaanbaar zacht.
De meid fietste stukken harder dan Sem, maar hij nam zich voor haar niet uit het oog te verliezen. Zonder succes, want het enige wat Sem nog van haar kon zien was het rode schijnsel van haar achterlicht, dat pulseerde op de maat van haar dynamo. Een paar minuten was het voor hem een baken in de nacht en fietste hij de longen uit zijn lijf om bij haar in de buurt te blijven.
Tevergeefs.
Het kostte teveel kracht om haar bij te houden. De inspanning was de vierentwintig jarige jongeman teveel geworden. Even hield hij de benen stil en zag hij het rode achterlicht geleidelijk opgaan in het duister. Wat achterbleef was een fijne, zoete geur van golden delicious appels die waarschijnlijk afkomstig was van de eau de parfum dat het meisje met haar mede droeg. Sem was verrukt van de geur. Kortstondig gierde zijn hart door zijn lijf en dacht hij nergens aan. Alleen aan haar.
‘Als ik naast haar in bed zou liggen, dan zou ik de hele nacht haar heerlijke geur inademen. Ik zal kijken hoe haar pronte borsten op en neer gaan en vlak voordat ik zelf in slaap val, zal ik haar heilig verklaren met een zoen… Weest gegroet Maria. Je bent een gezegende… Bid je alsjeblieft voor mij? Nu… En in dat onvermijdelijke uur dat komen gaat…’
De hemel brak in fijne tranen uit en het duurde niet lang voordat het genot, dat de meid en haar geur Sem bezorgd hadden, verdwenen was. Na een half uur zonder inhaalsters twijfelde hij of het meisje van daarvoor wel echt voorbij was komen fietsen. Het warme gevoel in zijn buik ebde weg en weer een half uur later was hij haar reeds vergeten.