Conditionalis, conditionalis..

08/02/2010

Vanuit mijn hotelkamer kan ik niet zien of het al avond is geworden. De gordijnen zitten dicht. Maar de klok van mijn computer staat op tien voor negen. Nederlandse tijd is dat geloof ik. Want Lissabon ligt inmiddels achter mij.

Zaterdagochtend heb ik mijn vlucht naar Amsterdam gemist. Voor het eerst in mijn leven was dat. De trein, die had ik al weleens gemist. Of de bus. Of de tram. Maar dat kwam me nooit zo dramatisch voor. De fietsers op de straat keken je dan een beetje lacherig na als die tramdeuren net voor je neus dichtsloegen. Doch bescheten voelde je dan niet. Een half uur later had je weer een kans.

Nu, bescheten voelde ik mij zaterdagmorgen echter wel.

Want zoude ik niet terug naar het hotel zijn gereden om mijn aantekeningenboekje op te halen dan had ik mijn vlucht wel gehaald. En zoude ik op tijd naar bed zijn gegaan dan had ik dat hele aantekeningenboekje allang in mijn koffer gestopt.

Zoude, zoude.. het brengt me niets.

Hoeveel kostte de grap? Driehonderd euro. Een dikke maand huur. Want ik huur goedkoop in Berlijn. Een haast ongerenoveerde Altbau. Met een smerige grauputzgevel. Driehonderd euro aldus en een half uur na mijn gemiste vlucht werd ik door een zwaan alsnog naar Amsterdam gebracht. Daar werd ik door mijn zusje opgehaald. Die had alleen wat medelijden, omdat ik alweer wat vertraging had.

Uit Lissabon, een kattebel

05/02/2010

Vanmorgen werd ik wakker na een nacht waarin ik rare dingen had gedroomd. Niet dat ik ooit iets normaals heb gedroomd. Dat doet u waarschijnlijk ook niet. U zou raar staan te kijken nadat u droomde dat u de Albert Heijn binnenstapte, een pond tomaten afwoog, nog wat aardappels of WC papier in het mandje legde en daarna het geboodschap netjes bij het kassameisje afrekende. Ja. Bij zo een droom zou ik in mijn bed pissen van de angst.

Maar goed. Ik werd maar weer eens wakker en opende de luiken voor het vensterraam. In een hotelkamer in Lissabon that was. Want daar verblijf ik deze week. En het is wonder wonder schoon.

Het licht dat mij heden morgen begroette en de blauwe lucht, ueberhaupt een blauwe hemel, en het gejammer van meeuwen die door de hemel gleden, al dat, en de ontspannen mentaliteit van de mensen waarmee ik samenwerkte, maakt deze trip tot een vakantie.

In de kleine steegjes dronken we ginjinha die we in nog kleinere barretjes bestelden. We gingen uren lunchen en aten vis en krab en alles wat de zee te bieden heeft. Op de pleintjes luisterden we naar gitaristen of naar een groepje portugese muzikanten. Waar iedereen met een heel klein plastic bekertje ginjinha in zijn handen stond te genieten. En de mensen elkaar aankeken of aanstootten, omdat de muziek zo traumhaft mooi was. En ik kippenvel en daarna tranen in mijn ogen kreeg.

Omdat het simpelweg geweldig is. In Portugal. Of Frankrijk. Nederland. Berlijn. En binnenkort in Stockholm. Mijn leven is aaneenschakeling van hoogtepunten. En in de tussentijd ben ik depressief. Het is waarschijnlijk goed dat de hoogtepunten haast naadloos op eenander volgen. Blues en kommer zijn verleden tijd.

Op hoek van de straat begint zojuist een jongen iets van Stevie Ray Vaughan te spelen. Toeval bestaat niet. Ingela C. noemt zoiets synchroniciteit. Wat doe ik hier nog in dit internetcafe? Tot gauw lieve lezers. Ik schrijf te weinig… es tut mir leid. Doch huil niet, het is niet belangrijk. Dans verder en blijf dronken. Adee!

Het sneeuwt nog steeds in Friedrichshain

29/01/2010

Het duurde eventjes voordat ik wakker werd. Op straat denderde de tram voorbij. Zijn luide gebulder had me zoals op vele morgens ook deze morgen gewekt. Ik strek mijn lichaam lang uit, bazel enkele ochtendsteunen en draai me om. Het eerste wat ik zie zijn twee grote blauwe ogen die me aanstaren. “God morgon..” en ik krijg een aai over mijn bol.

Gisteravond ben ik met Lina gaan eten bij de punkpizzeria op de hoek van de Gabriel Max Straße en de Wühlisschtraße. Il Ritrovo heet ie. Daar ben ik met Sproet ook ooit een keer geweest. Ze hebben er pizza’s die groter zijn dan je bord. Dat vond ik als kind altijd indrukwekkend, zo’n pizza waarvan de randen over het bord uitstaken. Nog steeds eigenlijk wel.

De eigenaar schijnt een groot muziekliefhebber te zijn en vele bands mochten er gratis komen eten en schreven hun namen op de muur. Hij heeft een hele grote dikke buik en hij keurt alle pizza’s voordat ze naar de tafels gaan. Het is meestal zo vol dat je met andere gasten een tafel deelt. Als je er salade bestelt, krijg je een tomaat met een scherp mes voorgeschoteld. Ik mag die pizzeria wel.

Nog voordat de pizza’s op de tafel verschenen, kwam er een ambulance aangereden. Het blauwe knipperende licht reflecteerde op de volgeschreven wand. Toen het ambulancepersoneel binnenkwam, werd Lina ineens heel stil. Je kon haar gedachten weg zien glijden.

Rond een uur of tien stapte we de sneeuw in om nog wat livemuziek op te zoeken. Ik stelde voor om naar de Artliner te gaan, een dreckige Kneipe om de hoek. In de Artliner speelde een paar psuedo-rednecks op banjo’s, gitaren, mandoline en een monharmonica. We werden aangesproken door Bine, die me ooit vertelde dat ze in het bordeel had gewerkt waar ik boven heb gewoond. Toen er nog een zatlap met kleine biggenogen en een doorgezopen alcoholwalm naast kwam staan, kwam Lina wat dichter tegen me aan staan.

Eergisteren begon het weer te sneeuwen. Zachtjes kwamen de vlokken uit gedaald. Ik dacht aan de oude witte hond die we op dinsdag in de Lux hadden zien staan. En hoe zielig dat de hond keek. Alsof hij niet begreep waarom wij bij het luisteren naar een zangeres uit Kreuzberg zoveel plezier konden beleven. Die gedachte maakte me gelukkig en treurig tegelijkertijd.

Een decennium duurt ongeveer een jaar of tien

22/01/2010

Twee weken lang had de zon zijn gezicht achter een donkergrijze wolk verscholen. Her en der lagen bijeengeschoven stapels sneeuw. Asfaltgrauwe stapels sneeuw. Het vliegveld lag er huploos bij. Bij het venster zat een man naar een landend vliegtuig te staren. Ik vroeg mijn buurvrouw waar het vliegtuig vandaan zou komen. En waar het heen zou gaan. Het leek haar weinig te interesseren. Of gene ene reet waarschijnlijk. Zonder te antwoorden stond ze op en liep naar een juffrouw bij een balie.

Mijn gedachten verdampten terwijl ik in het duister keek.

Aan de dakgoten van de huizen in de straat had ik enorme ijspegels zien hangen. Die werden er af en toe door de brandweer afgehakt. Bij ons kon je tot zes uur ’s avonds aan het ontbijtbuffet aanschuiven. Er was niemand die naar me omkeek. Ik lag tot zes uur in mijn bed en telde de hoeken van de kamer. Toen ik bij de vijfde hoek was aangekomen, stopte ik om te kunnen zuchten. Mijn adem rook naar alcohol. De hele kamer waarschijnlijk. Aan de dakgoot van mijn ziel hingen enorme ijspegels. Er was niemand die naar me omgekeken had.

Toen ik ontwaakte, heb ik een wazig licht zien branden. Mijn bed voelde als een graf waar ik uitgekropen kwam. De wereld lag zes voet van me vandaan. Het licht werd langzaam helder en mijn hand werd vastgenomen. De hand voelde als een eerste lentedag. In de hoek van de kamer lag een lege ballon te wachten tot hij weer opgeblazen werd. Ik had zojuist een decennium voorbij zien komen. We waren wakker en met elkaar.

Ein Tässchen Trost

13/01/2010

In het nieuwe jaar heb ik nog niet eenmaal gefietst. Op het zadel van mijn fiets ligt een hoopje sneeuw van een centimeter of veertig. Ik heb de moeite niet genomen om de sneeuw eraf te vegen. Ik had mijn fiets ook binnen kunnen zetten. Mijn huisgenootje vertelde ooit dat we een kelder hebben. Ik houd niet van kelders. Die zijn me te donker, vochtig en doen me teveel aan Belgie en Oostenrijk denken.

En dus wandel ik wat af.

Op de Grünberger Straße komen me twee jonge moeders voorbijgelopen. Ze kletsen en drinken een Kaffee to go. Achter hen zitten hun zoontjes op een slee. Die zie je veel de laatste tijd. Half uitgeslapen gezichtjes die maar wat voor zich uit staren en niets lijken te merken van wat er voorbijgegleden komt. Mennekes op moonboots die bij iedere onbesneeuwde kruising vrolijk blijven zitten wachten tot hun moeders ze van de slee optillen.

Ik drink tijdens het wandelen ook vaak zo een meeneemkoffie. En dat is eigenlijk hartstikke lastig. Hoe handig die bekers ook deksels hebben. Ik verbrand me telkens weer. Wellicht ligt dat ook aan de temperatuur van de koffie. In ieder geval verbrand ik me. Doch het hoort bij het straatbeeld. Zoals je hier ’s avonds (>13 uur) met een peuk en een fles bier over straat loopt, zo loop je ’s ochtends met een beker koffie met een namen van minstens vier lettergrepen.

Macchiato, Cappucino, Americano.. vroeger bestelde ze hier gewoon een pot koffie.

Dat noemen ze met een lelijk woord gentrificatie. Ik geloof dat ik daar zelf erg hard aan mee werk. De linkse activisten in de wijk zien het niet graag en werken de veredeling van dit stadsdeel het liefste tegen. Dan gaan ze yuppies plagen en dikke auto’s in de fik steken. Een auto heb ik echter niet. Ik wacht wel tot mijn fiets ontdooit is en tot die tijd wandel ik nippend aan mijn Latte Macchiato naar mijn werk.

Een zwerver met een pinpas

06/01/2010

Vanochtend zag ik weer een zwerver. Eentje die ik wel vaker zie. Een krant verkocht hij niet. Hij lag te slapen bij de pinautomaten op de Warschauerstraße. Zijn hoofd lag vlak naast de deur. Voor hem stond een half uitgedronken fles Sternburger, die zou zijn bevroren als hij buiten in slaap was gevallen. Hij zelf ook waarschijnlijk. Ik snap de zwerver wel.

Ik zag hem al liggen toen ik met ijskoude vingers mijn pinpas uit mijn portemonnee probeerde te peuteren. Zonder pinpas kom je namelijk bij de bank niet binnen. “Merkwürdig,” dacht ik. De man was niet in het bezit van een dak boven zijn hoofd. Laat staan een kachel. Maar hij had wel een pinpas. Ik vroeg me af waar zijn bankafschriften naartoe worden gestuurd.

Voordat ik naar binnentrad, nam ik een diepe haal frisse winterlucht.

Ik nam me voor om zo snel mogelijk geld op te nemen, maar besefte vrijwel meteen dat dit een belachelijk idee was. De automaat bepaalt de snelheid van het pinproces. Niet ik.

Toen ik naar het achterlijke balkje staarde, dat van links naar rechts bewoog, begon ik langzaam uit te ademen. Kort daarop werd ik de geur van de zwerver gewaar. Ik luisterde naar het zware geratel van zijn alcoholadem en draaide me om en staarde naar de man die verkrampt op de smerige tegels lag te slapen. Zijn complete lichaam deinde mee met het ritme van zijn ademhaling. Een lichaam dat een aantal promille aan het verwerken was. Een lichaam dat al lang niet meer gewassen was en dat langzaam afgetakeld is. Een lichaam, dat ten dode opgeschreven is.

Ik dacht aan de jongen die vorig jaar bij de Warschauer Brücke kapot gevroren is. Toen heb ik ze vaak samen zien zitten. Op een kleedje in de zomer op het grasveld. Met hun drinkebroeders. En hun honden die zoveel scheldnamen hadden gekregen dat ze op hun eigen naam uiteindelijk niet meer reageerden. En waar ze in de winter dicht tegen aan kropen. Voor de warmte. Waarschijnlijk was die ene jongen die toen in de winter is gestorven zijn hondje kwijtgeraakt.

Zulke gedachtes maken me diep verdrietig.

Na een minuut begon de bankautomaat te ratelen en hingen er twee briefjes van vijftig uit. Ik stopte het geld in mijn portemonnee en liep naar buiten. Daar bleef ik stil staan op de stoep en staarde naar de hemel. Even was ik niet in staat om adem te halen. Toen ik verder liep, bleven er kleine sneeuwvlokjes aan mijn sjaal kleven.

Vredig verder lopen

03/01/2010

Het is zaterdagmiddag en onder een ijzige hemel lopen we naar de supermarkt. In mijn linkerhand draag ik een lege krat bier. In mijn rechterhand de jouwe. Je hand voelt warm. Waarschijnlijk omdat de mijne zo enorm koud is. Je blijft hem desondanks kalm vasthouden. Zo zou ik uren kunnen lopen.

Op het Traveplatz is een menneke afgestoken vuurpijlen aan het verzamelen. Dat deed ik vroeger ook weleens. Met name op nieuwjaarsdag of op de dag erna.

Bij de supermarkt staat een bedelaar. Voor hem ligt zijn hond die sinds een paar weken een soort van jasje draagt. De hond kijkt zielig. De bedelaar ook. Eigenlijk is het een krantenverkoper. Ik geef hem meestal de euro van de winkelwagen. En het krantje hoef ik dan niet. Ik ben een jaar geleden gestopt met het lezen van de krant.

Als ik bij hem wegloop, vraag ik me af of hij dat jammer vindt. Misschien heeft hij wel aan het krantje meegewerkt en is hij best wel trots op wat er in staat. Die gedachte stemt me ineens heel treurig. Ik denk dat ik de volgende keer toch het krantje maar meeneem.

Pas als we door het rare oranje draaideurtje van de supermarkt lopen, laat je me mijn hand los.

We zoeken samen de weekendboodschappen uit en op de een of andere manier word ik daar enorm rustig van. Overal vinden we iets moois of lekkers. Door de gangen hobbelen nors kijkende vaders achter sjachrijnige moeders achter krijsende kinderen. Je lijkt je er niet aan te storen.

“Het is alweer donker geworden,” zeg je wanneer we naar buiten stappen. Inderdaad. Alweer een middag voorbijgevlogen. En dat vliegen voelde heerlijk.

De bedelaar is naar huis gegaan en dat is ook waar wij heen lopen. Naar ons huis. Ik weet niet eens of de bedelaar wel een huis heeft. Bij die gedachte kan ik niet meer treurig worden, want ik zie je stralen en de rust en energie waarmee je het nieuwe jaar begonnen bent. Zo zou ik uren kunnen lopen.

Een bezonnen en fantastisch 2010

01/01/2010

bezonnen en fantastisch

U allen heb ik lief.

Vlaanderen, O Vlaanderen

24/12/2009

In Wallonië was ik, de titel deed het al bijna vermoeden. In de studentenstad Louvain-la-Neuve om heel precies te zijn. Het was er koud daar in het nieuwe (franstalige) Leuven. In Bruxelles-Midi stapte ik op een boemeltreintje dat in ieder dorpje waar een perron of iets dergelijks lag halt hield en van waaruit ik een winters landschap, dat mij reeds op een barre kilte voorbereidde, aanschouwde. Ik werd door twee psychologes naar hun laboratorium gebracht. Daar werkten we. De ene psychologe kwam uit Amerika. De andere uit Cuba. Ze deelden een kantoortje. In een aftands universiteitsgebouwtje in Walloniè. Het zal niemand verwonderen dat ik dat tamelijk curieus vond. ´s Avonds nam de Amerikaanse me uit eten in Bruxelles. Dat was allemaal niet verkeerd.

Maar het blijft werk..

De twee dagen daarvoor was ik in Gent. Ook wel Hermanbrusselmansville genoemd. Door mij tenminste. Ik weet niet hoe de Gentenaeren er zelf over denken. Herman kon ik echter nergens vinden. Het was okay. We hadden elkaar een jaar of twee terug al eens gesproken en we zagen geen noodzaak telefoonnummers of adressen uit te wisselen. Dat noem ik ware vriendschap. Er op vertrouwen dat je elkaar in de toekomst wel weer tegen zult komen. En wanneer dit niet het geval is, dit de vriendschap niet ontbindt. Allez, genoeg pseudo-Quatsch. Ik heb de schrijver niet gevonden en hij mij ook niet. Godzijdank, want ik vond hem spuuglelijk en hij mij geloof ik ook.

Ook in medisch centrum Gent (of hoe het ziekenhuis ook heet) heb ik gewerkt.

Terug naar Bruxelles. Daar was ik een halve dag op het Erasme en had ik een middag vrij. Omdat het begonnen was te sneeuwen, ben ik in plaats van de stad, een bibliotheek ingetrokken. De nationale bibliotheek was dat. Daar werd ik lid voor één dag. Van het boek, het Kristalpaleis van Peter Sloterdijk, dat ik er herlas, heb ik weinig meegekregen; ik had met name oog voor al het Belgisch Schoon dat er rondliep. Buiten zag ik kleine jongetjes sneeuwballen in elkanders nek smijten en gleed een ouwetje van de stoep, daarbij waarschijnlijk de een of andere heup brekend. Al met al een gemoedelijk schouwspel, het leek de Winterefteling wel.

Op het vliegveld wachtte ik op de vlucht terug naar Berlijn. Daarbij leerde ik een Peruaan uit Ieper en de dochter van een Vlaamse volksvertegenwoordiger in Berlijn kennen. We wachtten en wachtten. Na vier uur vertraging stond er eindelijk een besneeuwd vliegtuig bij onze gate. Een vliegtuig dat niet vliegen zou. De vlucht werd kort voor middernacht gecancelled. “Kak,” dacht ik nog. Maar Rudy zou Rudy niet zijn als hij in zo’n situatie niet enorm veel geluk zou hebben… Dus mocht ik bij dat meisje overnachten en reed ik ’s ochtends lekker met de ICE naar mijn geweldige stadje. Daar vond ik Leni die me omhelsde alsof me nooit meer los zou laten. Daarna volgden vier fijne dagen in Berlijn. Het mooiste begin van de kerstvakantie sinds jaren.

Thans bevind ik mij in Brabant. Zu Hause. Voor het kerstfeest. Waar ik langzaam toch veel zin in heb gekregen.. ik wens u allen een droomfeest!!

Advent.. jippie..

10/12/2009

De linde voor mijn balkon heeft al haar geblaarte uigeweend. Een druppende takkengeraamte is wat er overbleef. Aan de andere kant van de straat verlaat de overbuurvrouw de woning om haar tekkel uit te laten. Die loopt al maanden mank. Die tekkel bedoel ik. Niet de overbuurvrouw. Die is wellicht even vetzuchtig als die hond van haar. Maar mank lopen zag ik haar nog niet.

Doch genoeg over vetzuchtige wandelende worsten.

Het is nat. En winter. Mijn kloten zijn weliswaar nog niet uit mijn zak gevroren, maar het zit er spoedig aan te komen. Ook de winter heeft zo zijn lichtpuntjes.

Afgelopen weekend was ik op een Weihnachstmarkt. Dat is een verzameling van apres-ski-achtige kraampjes waar men allerhande snuisterijen kopen kan. Mijn oude huisgenoot Tom merkte op dat die Duitsers er wel verstand van hadden: “Overal valt er wel wat te vreten te halen. En bij gebrek aan vreten is er alcohol.”

Glühwein ja..

Het is toch algemeen bekend van ander smerig spul als cola en bier dat je het zo sterk mogelijk moet afkoelen om het zonder kotskrampen je slokdarm in te kunnen mikken? Kan iemand me dan vertellen wie er ooit met het achterlijke idee in zijn hoofd is gekomen om die ranzige bocht te gaan verhitten??

Niemand? Daar was ik al bang voor.

Maar het past allemaal in de kersttraditie. In de gezelligste tijd van het jaar. Nu, ik vind het helemaal niet gezellig. De linde voor mijn balkon is al haar mooie blaadren kwijt. En de mensen in de straten struinen starend naar de stoep. Vale blikken ontroosten het straatbeeld. Wat staat ons te komen? Vadertje vorst? En dan nog sneeuw? Die maarliefst één dag leuk is, dan enorm begint te vervelen om na een week ronduit irritant te worden…

Kan iemand mij vertellen waar de hemel begint?