Waar zijt gij Vogel Blauw?

04/03/2010

Op en rond de Hackescher Markt zijn een hele hoop winkels en cafés te vinden. Vraag me niet naar namen; ik koop eigenlijk alleen nog bij de COS of bij de Zeeman om de hoek. Maar er moet werkelijk alles te vinden zijn, want zelfs op doordeweekse dagen bewegen massa’s mensen zich door de monumentale Stadtbahnbögen. Commercie is wat het straatbeeld bepaald.

Omdat ik gisteren spontaan naar een concert in de Schokoladen ben gegaan in plaats van als beloofd voor mijn nieuwe Lief te koken, leek het me goed idee om haar in haar pauze op te komen zoeken. Ze werkt er voor de American Apparel om de hoek.

Aldus stond ik daar te wachten op de Hackescher Spuuglelijkmarkt. Doch Lief had andere plannen in haar pauze en helemaal geen tijd voor mij. En dan merk je ineens hoe stervenskoud je handen in de tussentijd geworden zijn. Lief had andere plannen. Ja, die had ik gisteren ook.

Boontje. Loontje. Bal. Kaats. Kak…

Enigszins sip stapte ik in de Stadtbahn. De Stadtbahn was vol als bom. Ik zocht alles behalve oogcontact. Je bent een sukkel, Rudy, een pummel.

Bij thuiskomst lagen er twee enveloppen op me te wachten. Een van Britt met het geniaalste t-shirt ooit. Met twee Nederlandse vriendinnen als vikingstrijders verkleed. Met dikke snorren en helmen en alles. En een lange brief van Sproet. De grappigste en leukste die ik het afgelopen jaar ontvangen heb. Ik denk terug aan het leuke weekenden die ik deze winter met hen had en aan de lente van 2009..

Op de achtergrond zingt de Tallest Man On Earth. Die ik vorig jaar dankzij Sproet heb leren kennen. Morgen speelt ie in de Kulturbrauerei. Uit Zweden komt die dude.. net als mijn nieuwe Lief trouwens. De kaartjes liggen al een week op mijn bureel. “Where do my bluebird fly?” klinkt het uit mijn schamele laptopboxen.  Ow kleine man uit Zweden, ik heb geen idee, maar u mag het mij morgen gaan vertellen.

Hoe de lente van Dresden naar Berlijn kwam waaien

25/02/2010

De zon stond nog niet zo hoog dit jaar. De hemel was hier ook nog niet zo blauw. Vannacht was de laatste nacht dat het gevroren heeft. Dat hopen we tenminste met zijn allen. Toen ik vanochtend mijn schaaltje yoghurt met fruit naar binnen lepelde, luisterde ik naar radio Fritz. Als een kind op pakjesavond vertelde de presentator dat het maarliefst 10 (tien!) graden zou gaan worden vandaag. Ik deed een blik naar het binnenhofje en zag een bonte kraai met een twijg in de weer.

Afgelopen weekend heb ik de lente aan zien komen. Ze kwam van een heuvelwegje naar ons toegekropen. Ik liep in Dresden Hellerau met Jan en Franzi, mijn eerste Duitsche huisgenoot en zijn vriendin, en we luisterden naar het geluid van druppend en naar beneden sijpelend gesmolten sneeuw. Her en der kwamen stukken donkergrijs asfalt tevoorschijn. Het lag er na drie maanden vorst en winterfoltering uiteengebarsten bij. Hoewel een treurig aanblik, deed het me denken aan de vrolijke mozaiekmotieven die ik in Lissabon overal zag.

In Berlijn heeft de dooi een aantal dagen later ingezet. Drie maanden Dreck komt onder de sneeuw aan het licht. Drie maanden peuken, flessen bier en hondenpoep. Als de tram de bocht omdraait, springt het water uit de rails omhoog. De stad ruikt naar een oude man die drie maanden zijn tanden niet heeft gepoetst. Er liggen overal kleine steentjes waarmee de stoepen in de gladde wintermaanden enigszins begaanbaar werden gemaakt. De steentjes worden na de dooi door mannen in oranje pakken bij elkaar gebezemd, gewassen en een volgende winter hergebruikt.

Bij de pinautomaat aan de Warschauerstraße zitten al een paar weken elke morgen een aantal zwervers. De mannen met rode gezichten zitten in kleermakerzit bij de verwarming. Met enige jolijt werd me vanmorgen een slok Sternburg aangeboden. Trots hief de Poolse jongen het flesje in zijn eeltige knoken. In zijn mond hangt een shaggie. Het stinkt in de pinautomaat, dat is me eerder al opgevallen. Als ik naar buitenstap, neem ik een diepe haal frisse lentelucht.

Ze komt. De lente.. ik heb haar horen komen.

Duende

20/02/2010

Met vriend Goran staar ik vanaf de 16e etage over Berlijn bij nacht. We bevinden ons in de Solar. Een club waar Mitteyuppies na het werk hun cocktail komen drinken. Vanaf de begane grond brengt een lift je naar de bovenste verdiepingen van een van de hoogste gebouwen der stad. In de lift zaten twee knoppen: EG en 16. Een insidertip noemde Goran het. Een ballentent dacht ik toen we binnentraden.

Doch de hemel boven de stad is prachtig.

We staren uit het gigantische venster en af en toe blikken we naar elkaar. Het enige wat we elkaar vertellen, is over het concert van Paco de Lucia wat we zojuist hebben beleefd. Hoe we tijdens de Zugabe naar voren renden en vijf meter van de grootmeester der Flamenco met knikkende knieen toekeken hoe hij Entre dos aguas speelde. Naast ons danste een groepje Spaanse meiden en iedereen stond met een grote glimlach op zijn gezicht. En Paco leek zelf het meeste te genieten. Het was kippenvel puur.

Hoe het gekomen is dat ik ooit op deze muziek verliefd ben geworden, weet ik niet meer. Het trof me recht in mijn hart en inspireerde me een jaar of tien terug om gitaar te leren spelen. Flamenco heeft alles en laat je alle Kackscheisse van de wereld vergeten. De laatste maanden hoor ik amper nog iets anders. Ik adem flamenco. “We zijn freaks,” zegt Goran. Waarschijnlijk heeft hij gelijk, maar ik geef er geen zak om.

Paco..

“We hebben god gezien,” blijf ik herhalen, “en god was eindelijk eens goed geluimd.”

Conditionalis, conditionalis..

08/02/2010

Vanuit mijn hotelkamer kan ik niet zien of het al avond is geworden. De gordijnen zitten dicht. Maar de klok van mijn computer staat op tien voor negen. Nederlandse tijd is dat geloof ik. Want Lissabon ligt inmiddels achter mij.

Zaterdagochtend heb ik mijn vlucht naar Amsterdam gemist. Voor het eerst in mijn leven was dat. De trein, die had ik al weleens gemist. Of de bus. Of de tram. Maar dat kwam me nooit zo dramatisch voor. De fietsers op de straat keken je dan een beetje lacherig na als die tramdeuren net voor je neus dichtsloegen. Doch bescheten voelde je dan niet. Een half uur later had je weer een kans.

Nu, bescheten voelde ik mij zaterdagmorgen echter wel.

Want zoude ik niet terug naar het hotel zijn gereden om mijn aantekeningenboekje op te halen dan had ik mijn vlucht wel gehaald. En zoude ik op tijd naar bed zijn gegaan dan had ik dat hele aantekeningenboekje allang in mijn koffer gestopt.

Zoude, zoude.. het brengt me niets.

Hoeveel kostte de grap? Driehonderd euro. Een dikke maand huur. Want ik huur goedkoop in Berlijn. Een haast ongerenoveerde Altbau. Met een smerige grauputzgevel. Driehonderd euro aldus en een half uur na mijn gemiste vlucht werd ik door een zwaan alsnog naar Amsterdam gebracht. Daar werd ik door mijn zusje opgehaald. Die had alleen wat medelijden, omdat ik alweer wat vertraging had.

Uit Lissabon, een kattebel

05/02/2010

Vanmorgen werd ik wakker na een nacht waarin ik rare dingen had gedroomd. Niet dat ik ooit iets normaals heb gedroomd. Dat doet u waarschijnlijk ook niet. U zou raar staan te kijken nadat u droomde dat u de Albert Heijn binnenstapte, een pond tomaten afwoog, nog wat aardappels of WC papier in het mandje legde en daarna het geboodschap netjes bij het kassameisje afrekende. Ja. Bij zo een droom zou ik in mijn bed pissen van de angst.

Maar goed. Ik werd maar weer eens wakker en opende de luiken voor het vensterraam. In een hotelkamer in Lissabon that was. Want daar verblijf ik deze week. En het is wonder wonder schoon.

Het licht dat mij heden morgen begroette en de blauwe lucht, ueberhaupt een blauwe hemel, en het gejammer van meeuwen die door de hemel gleden, al dat, en de ontspannen mentaliteit van de mensen waarmee ik samenwerkte, maakt deze trip tot een vakantie.

In de kleine steegjes dronken we ginjinha die we in nog kleinere barretjes bestelden. We gingen uren lunchen en aten vis en krab en alles wat de zee te bieden heeft. Op de pleintjes luisterden we naar gitaristen of naar een groepje portugese muzikanten. Waar iedereen met een heel klein plastic bekertje ginjinha in zijn handen stond te genieten. En de mensen elkaar aankeken of aanstootten, omdat de muziek zo traumhaft mooi was. En ik kippenvel en daarna tranen in mijn ogen kreeg.

Omdat het simpelweg geweldig is. In Portugal. Of Frankrijk. Nederland. Berlijn. En binnenkort in Stockholm. Mijn leven is aaneenschakeling van hoogtepunten. En in de tussentijd ben ik depressief. Het is waarschijnlijk goed dat de hoogtepunten haast naadloos op eenander volgen. Blues en kommer zijn verleden tijd.

Op hoek van de straat begint zojuist een jongen iets van Stevie Ray Vaughan te spelen. Toeval bestaat niet. Ingela C. noemt zoiets synchroniciteit. Wat doe ik hier nog in dit internetcafe? Tot gauw lieve lezers. Ik schrijf te weinig… es tut mir leid. Doch huil niet, het is niet belangrijk. Dans verder en blijf dronken. Adee!

Het sneeuwt nog steeds in Friedrichshain

29/01/2010

Het duurde eventjes voordat ik wakker werd. Op straat denderde de tram voorbij. Zijn luide gebulder had me zoals op vele morgens ook deze morgen gewekt. Ik strek mijn lichaam lang uit, bazel enkele ochtendsteunen en draai me om. Het eerste wat ik zie zijn twee grote blauwe ogen die me aanstaren. “God morgon..” en ik krijg een aai over mijn bol.

Gisteravond ben ik met Lina gaan eten bij de punkpizzeria op de hoek van de Gabriel Max Straße en de Wühlisschtraße. Il Ritrovo heet ie. Daar ben ik met Sproet ook ooit een keer geweest. Ze hebben er pizza’s die groter zijn dan je bord. Dat vond ik als kind altijd indrukwekkend, zo’n pizza waarvan de randen over het bord uitstaken. Nog steeds eigenlijk wel.

De eigenaar schijnt een groot muziekliefhebber te zijn en vele bands mochten er gratis komen eten en schreven hun namen op de muur. Hij heeft een hele grote dikke buik en hij keurt alle pizza’s voordat ze naar de tafels gaan. Het is meestal zo vol dat je met andere gasten een tafel deelt. Als je er salade bestelt, krijg je een tomaat met een scherp mes voorgeschoteld. Ik mag die pizzeria wel.

Nog voordat de pizza’s op de tafel verschenen, kwam er een ambulance aangereden. Het blauwe knipperende licht reflecteerde op de volgeschreven wand. Toen het ambulancepersoneel binnenkwam, werd Lina ineens heel stil. Je kon haar gedachten weg zien glijden.

Rond een uur of tien stapte we de sneeuw in om nog wat livemuziek op te zoeken. Ik stelde voor om naar de Artliner te gaan, een dreckige Kneipe om de hoek. In de Artliner speelde een paar psuedo-rednecks op banjo’s, gitaren, mandoline en een monharmonica. We werden aangesproken door Bine, die me ooit vertelde dat ze in het bordeel had gewerkt waar ik boven heb gewoond. Toen er nog een zatlap met kleine biggenogen en een doorgezopen alcoholwalm naast kwam staan, kwam Lina wat dichter tegen me aan staan.

Eergisteren begon het weer te sneeuwen. Zachtjes kwamen de vlokken uit gedaald. Ik dacht aan de oude witte hond die we op dinsdag in de Lux hadden zien staan. En hoe zielig dat de hond keek. Alsof hij niet begreep waarom wij bij het luisteren naar een zangeres uit Kreuzberg zoveel plezier konden beleven. Die gedachte maakte me gelukkig en treurig tegelijkertijd.

Een decennium duurt ongeveer een jaar of tien

22/01/2010

Twee weken lang had de zon zijn gezicht achter een donkergrijze wolk verscholen. Her en der lagen bijeengeschoven stapels sneeuw. Asfaltgrauwe stapels sneeuw. Het vliegveld lag er huploos bij. Bij het venster zat een man naar een landend vliegtuig te staren. Ik vroeg mijn buurvrouw waar het vliegtuig vandaan zou komen. En waar het heen zou gaan. Het leek haar weinig te interesseren. Of gene ene reet waarschijnlijk. Zonder te antwoorden stond ze op en liep naar een juffrouw bij een balie.

Mijn gedachten verdampten terwijl ik in het duister keek.

Aan de dakgoten van de huizen in de straat had ik enorme ijspegels zien hangen. Die werden er af en toe door de brandweer afgehakt. Bij ons kon je tot zes uur ’s avonds aan het ontbijtbuffet aanschuiven. Er was niemand die naar me omkeek. Ik lag tot zes uur in mijn bed en telde de hoeken van de kamer. Toen ik bij de vijfde hoek was aangekomen, stopte ik om te kunnen zuchten. Mijn adem rook naar alcohol. De hele kamer waarschijnlijk. Aan de dakgoot van mijn ziel hingen enorme ijspegels. Er was niemand die naar me omgekeken had.

Toen ik ontwaakte, heb ik een wazig licht zien branden. Mijn bed voelde als een graf waar ik uitgekropen kwam. De wereld lag zes voet van me vandaan. Het licht werd langzaam helder en mijn hand werd vastgenomen. De hand voelde als een eerste lentedag. In de hoek van de kamer lag een lege ballon te wachten tot hij weer opgeblazen werd. Ik had zojuist een decennium voorbij zien komen. We waren wakker en met elkaar.

Ein Tässchen Trost

13/01/2010

In het nieuwe jaar heb ik nog niet eenmaal gefietst. Op het zadel van mijn fiets ligt een hoopje sneeuw van een centimeter of veertig. Ik heb de moeite niet genomen om de sneeuw eraf te vegen. Ik had mijn fiets ook binnen kunnen zetten. Mijn huisgenootje vertelde ooit dat we een kelder hebben. Ik houd niet van kelders. Die zijn me te donker, vochtig en doen me teveel aan Belgie en Oostenrijk denken.

En dus wandel ik wat af.

Op de Grünberger Straße komen me twee jonge moeders voorbijgelopen. Ze kletsen en drinken een Kaffee to go. Achter hen zitten hun zoontjes op een slee. Die zie je veel de laatste tijd. Half uitgeslapen gezichtjes die maar wat voor zich uit staren en niets lijken te merken van wat er voorbijgegleden komt. Mennekes op moonboots die bij iedere onbesneeuwde kruising vrolijk blijven zitten wachten tot hun moeders ze van de slee optillen.

Ik drink tijdens het wandelen ook vaak zo een meeneemkoffie. En dat is eigenlijk hartstikke lastig. Hoe handig die bekers ook deksels hebben. Ik verbrand me telkens weer. Wellicht ligt dat ook aan de temperatuur van de koffie. In ieder geval verbrand ik me. Doch het hoort bij het straatbeeld. Zoals je hier ’s avonds (>13 uur) met een peuk en een fles bier over straat loopt, zo loop je ’s ochtends met een beker koffie met een namen van minstens vier lettergrepen.

Macchiato, Cappucino, Americano.. vroeger bestelde ze hier gewoon een pot koffie.

Dat noemen ze met een lelijk woord gentrificatie. Ik geloof dat ik daar zelf erg hard aan mee werk. De linkse activisten in de wijk zien het niet graag en werken de veredeling van dit stadsdeel het liefste tegen. Dan gaan ze yuppies plagen en dikke auto’s in de fik steken. Een auto heb ik echter niet. Ik wacht wel tot mijn fiets ontdooit is en tot die tijd wandel ik nippend aan mijn Latte Macchiato naar mijn werk.

Een zwerver met een pinpas

06/01/2010

Vanochtend zag ik weer een zwerver. Eentje die ik wel vaker zie. Een krant verkocht hij niet. Hij lag te slapen bij de pinautomaten op de Warschauerstraße. Zijn hoofd lag vlak naast de deur. Voor hem stond een half uitgedronken fles Sternburger, die zou zijn bevroren als hij buiten in slaap was gevallen. Hij zelf ook waarschijnlijk. Ik snap de zwerver wel.

Ik zag hem al liggen toen ik met ijskoude vingers mijn pinpas uit mijn portemonnee probeerde te peuteren. Zonder pinpas kom je namelijk bij de bank niet binnen. “Merkwürdig,” dacht ik. De man was niet in het bezit van een dak boven zijn hoofd. Laat staan een kachel. Maar hij had wel een pinpas. Ik vroeg me af waar zijn bankafschriften naartoe worden gestuurd.

Voordat ik naar binnentrad, nam ik een diepe haal frisse winterlucht.

Ik nam me voor om zo snel mogelijk geld op te nemen, maar besefte vrijwel meteen dat dit een belachelijk idee was. De automaat bepaalt de snelheid van het pinproces. Niet ik.

Toen ik naar het achterlijke balkje staarde, dat van links naar rechts bewoog, begon ik langzaam uit te ademen. Kort daarop werd ik de geur van de zwerver gewaar. Ik luisterde naar het zware geratel van zijn alcoholadem en draaide me om en staarde naar de man die verkrampt op de smerige tegels lag te slapen. Zijn complete lichaam deinde mee met het ritme van zijn ademhaling. Een lichaam dat een aantal promille aan het verwerken was. Een lichaam dat al lang niet meer gewassen was en dat langzaam afgetakeld is. Een lichaam, dat ten dode opgeschreven is.

Ik dacht aan de jongen die vorig jaar bij de Warschauer Brücke kapot gevroren is. Toen heb ik ze vaak samen zien zitten. Op een kleedje in de zomer op het grasveld. Met hun drinkebroeders. En hun honden die zoveel scheldnamen hadden gekregen dat ze op hun eigen naam uiteindelijk niet meer reageerden. En waar ze in de winter dicht tegen aan kropen. Voor de warmte. Waarschijnlijk was die ene jongen die toen in de winter is gestorven zijn hondje kwijtgeraakt.

Zulke gedachtes maken me diep verdrietig.

Na een minuut begon de bankautomaat te ratelen en hingen er twee briefjes van vijftig uit. Ik stopte het geld in mijn portemonnee en liep naar buiten. Daar bleef ik stil staan op de stoep en staarde naar de hemel. Even was ik niet in staat om adem te halen. Toen ik verder liep, bleven er kleine sneeuwvlokjes aan mijn sjaal kleven.

Vredig verder lopen

03/01/2010

Het is zaterdagmiddag en onder een ijzige hemel lopen we naar de supermarkt. In mijn linkerhand draag ik een lege krat bier. In mijn rechterhand de jouwe. Je hand voelt warm. Waarschijnlijk omdat de mijne zo enorm koud is. Je blijft hem desondanks kalm vasthouden. Zo zou ik uren kunnen lopen.

Op het Traveplatz is een menneke afgestoken vuurpijlen aan het verzamelen. Dat deed ik vroeger ook weleens. Met name op nieuwjaarsdag of op de dag erna.

Bij de supermarkt staat een bedelaar. Voor hem ligt zijn hond die sinds een paar weken een soort van jasje draagt. De hond kijkt zielig. De bedelaar ook. Eigenlijk is het een krantenverkoper. Ik geef hem meestal de euro van de winkelwagen. En het krantje hoef ik dan niet. Ik ben een jaar geleden gestopt met het lezen van de krant.

Als ik bij hem wegloop, vraag ik me af of hij dat jammer vindt. Misschien heeft hij wel aan het krantje meegewerkt en is hij best wel trots op wat er in staat. Die gedachte stemt me ineens heel treurig. Ik denk dat ik de volgende keer toch het krantje maar meeneem.

Pas als we door het rare oranje draaideurtje van de supermarkt lopen, laat je me mijn hand los.

We zoeken samen de weekendboodschappen uit en op de een of andere manier word ik daar enorm rustig van. Overal vinden we iets moois of lekkers. Door de gangen hobbelen nors kijkende vaders achter sjachrijnige moeders achter krijsende kinderen. Je lijkt je er niet aan te storen.

“Het is alweer donker geworden,” zeg je wanneer we naar buiten stappen. Inderdaad. Alweer een middag voorbijgevlogen. En dat vliegen voelde heerlijk.

De bedelaar is naar huis gegaan en dat is ook waar wij heen lopen. Naar ons huis. Ik weet niet eens of de bedelaar wel een huis heeft. Bij die gedachte kan ik niet meer treurig worden, want ik zie je stralen en de rust en energie waarmee je het nieuwe jaar begonnen bent. Zo zou ik uren kunnen lopen.