Mijn kleine neefje

29/08/2010

De afgelopen twee weekenden had ik het genoegen bij mijn ouders in het pittoreske Brabantse land te mogen verwijlen. Ik was er omringd maïsvelden en de zure geur van koeienmest alwaar de neus ruiken kon. En mijn dierbaren, die waren er ook te vinden ja. Mijn zussen en mijn tweejarige neefje bijvoorbeeld.

Die kleine raaskal.

Nadat deze mensenpup kort na zijn geboort de harten van mijn zussen, mijn moeder, hun geliefden, de buren, het Brabantsch Nieuwschblad, bepaalde priesters en alle andere ademende mensen om hem heen veroverd had, deed het menneke goed zijn best ook dat cholesterol pompende stuk vlees onder mijn harige borst voor zich te winnen.. ik moet u bekennen dat hij daar welhaast in slaagde ook.

Hoe hij vloeiend mijn rare stemmetjes en debiele geluiden imiteerde en hoe hij autistisch in de basiliek naar de schilderingen in de nok van de koepel zat te staren of in zijn geval naar de meer interessante geometrische figuren die aldaar te vinden zijn: driehoeken, vierkanten, cirkels en zagen we daar een achthoek!? Jazeker! Achthoeken alom. Wie geeft er een pinda om wat die wijn zuipende schreeuwlelijk in zijn jurk daar voor het altaar staat te wauwelen als er overal achthoeken te ontdekken zijn? En als het waar is wat die geriatrische punks daar zongen en er een god zoude bestaan, zoude zijn gezicht de vorm van een achthoek dragen.

Dus…

Trots als een pauw was ik op dit klein stuk vee. Hij is te debiel om op de plee te kakken of om z’n boterham met pindakaas zelfstandig onder zijn neus te stoppen, maar hij weet verdomd veel over de wereld der vormen. Mooi is ook hoe die kleine belhamel het woordje kruis uitspreekt, klinkt als kah-ruis. Z’n ziel en zaligheid stopt ie erin. En dat waardeer ik. Ik ben ome Ruud. Hij imiteerde mijn mimiek terwijl ik uit het raam staarde met mijn snor tussen duim en wijsvinger. Over tien jaar ga ik muziek met hem maken. Dat hoop ik tenminste. Gevoel voor ritme en geometrie zijn in ieder geval al voor handen.

Waarvan akte.

uw Rudy Kaals, kindervriend.

Van het parallele universum

24/08/2010

Eigenlijk had ik een heel verhaal geschreven over een bruine kroeg in mijn geboortedorp in Brabant. Daar was ik van het weekend. Café het Centrum heette die kroeg en we kwamen er vaak op vrijdagavond met een aantal oude schoolvrienden. Je kon jezelf er achterlijk zuipen zonder dat iemand er naar omkeek. Het ontbrak de tent aan alle vormen van vermaak, doch we hebben er ons geen seconde verveeld.

Ik stuurde het verhaal naar Rosa. Die ontving de afgelopen weken alle verhalen die op deze stek ontbraken. Is er iemand die daarvoor een excuses wil? Bij deze..

Gisteren werd ik spontaan verrast door een sms van Susy. Sommigen van u zullen haar wel kennen. Susy houdt ook een weblog bij. Veel vlijtiger dan ik dat doe. In de tussentijd voedt ze twee kinderen op, schijnt ze ook nog te werken en houdt ze er hobby’s als bekstinken en het verzamelen van Deutsche Schimpfwörter op na. Aldus ontving ik gisteren enkele creaties. Het zal niemand ontgaan dat ik me daarmee uitzonderlijk vereerd voelde.

Susy.. als Satan een dochter heeft, draagt ze die naam.

De afgelopen vier weken bracht ik in het zomerse Berlijn door. Owwwww wat was het daar heerlijk. Overal waren mussen. In de perkjes, parkjes, op het balkon en op het terras. Ze tsijlpten en sprongen en hupten en hupten met veel te grote broodkorsten in het rond. Gelooft u dat die gevederde snodaards me gelukkig maakten? Vast niet.

Toch is het zo.

In een hoek van café het Centrum stond een ouderwetse telefooncel. Die was al decennia buiten gebruik, geloof ik. We hebben er avonden lang over gefilosofeerd. Dat als je dat nicotine-gele hokje binnenstapte en een kwartje in de telefoon wierp, je in een parallel universum uit zou komen. Waar alles exact omgekeerd zou zijn als in die telefooncel in café het Centrum. Tien jaar later woon ik Berlijn, waar alle vormen van vermaak aanwezig zijn. Meestal verveel ik me er kapot. Mussen lieve mensen. Ik geloof dat het kwartje gewerkt heeft.

Hedonistenhof

08/08/2010

Onze buren hadden Hoffest gisteren. Dat doen ze ieder jaar op een zaterdagavond in augustus. Rond een uur of acht kon je een band horen soundchecken. Luide Duitse elektro schalde door de binnenplaats. De sound en teksten deden me aan Deichkind denken. Dat beloofde wat.

Met een man of zes verlieten we de nummer 19 om bij nummer 18 binnen te stappen. De voordeur stond open en er stond een kleine rij van feestgangers in de hal. De rest van de Weichselstraße leek uitgestorven.

De binnenplaats was net als vorig jaar geweldig versierd en de mensen waren dit jaar nog mooier en interessanter dan vorig jaar. Het deed alles aan de bontheid van de bar25 denken. Er was een band, een aantal DJs, een enorm buffet, een kleine Berlijnse brouwerij die ons van bier voorzag en overal geweldige mensen.  Een hofje vol hedonisten.

Hoe en hoe laat ik naar huis gekropen ben, kan ik me niet meer herinneren. En dat doet er ook niet veel toe. Toen ik wakker werd, zag ik dat we twee nieuwe huisgenootjes hadden. Vrienden die bleven overnachten, omdat ze de weg naar huis te ver vonden. Met z’n allen hebben we gebruncht. Ik vond het prachtig.

God in Frankrijk (2)

01/08/2010

Voordat ik eindelijk weer in Berlijn mocht blijven, moest ik nog even langs in Marseille om een tweedaagse training te geven. In Marseille bleek mijn koffer te zijn verloren. Dat soort dingen gebeuren vaker, maar voor mij was het de eerste keer. Hij stond nog op Schiphol, maar ze zouden hem de volgende dag naar het hotel brengen.

Als je je koffer mist, krijg je als goedmakertje een soort van goodybag. Daar zaten een kleine tandenborstel, tandpasta, een mini-deo die naar toilet rook, een kam, een schoon t-shirt en twee wattenstaafjes in. Stond ik daar in mijn hotelkamer even te springen toen ik die ontdekking deed. Dan moet je in je stinkende zomeroutfit een groep professoren uit gaan leggen hoe ze de hersenen magnetisch kunnen stimuleren, maar wel met schone oren en dat is ook wat waard lieve mensen. Twee wattenstaafjes.. ik had het niet meer.

Een van de professoren gaf me de tip om ’s avonds in een restaurant nabij de oude haven te gaan eten. Le Bouchon Provencale of iets in die geest. Dus ik met een van de twee metro’s daar naartoe gereden.

In de ondergrondse was het smerig warm als in Barcelona. Je kon de dikke lucht zien stilstaan. Dit was geen zomerse hitte, dit was een ring minder verwijderd van de hel. Ik beelde me in hoe Satan slechts enkele etages beneden ons dikke sigaren rookte en worsten braadde in de eeuwige vlammen. Ik dacht een tijdje aan Dante en hoe in zijn tijd de hel als een extreem koude plaats werd voorgesteld. Als ik mocht kiezen, kreeg Dante’s hel de voorkeur.

Er zaten mensen in de metro, maar ik negeerde ze. Ze leken met weinig moeite hetzelfde te doen.

Op het terras voor het restaurant zaten enkele koppeltjes. Gebronsde vrouwen naast hun oude sugar daddy. De meeste van die oude kerels droegen schoenen zonder sokken. Hoe krijgen ze dat voor elkaar? Als ik geen sokken draag, ruiken mijn voeten naar Zwitserse kaas. Eigenlijk houd ik van Zwitserse kaas, dacht ik. Ik bood mijn excuses aan aan de Zwitserse kaasmakers en bestelde wat te eten.

Zoals wel vaker kwamen ze kort daarna het voedsel brengen. Het eerste restaurant waar ze vergeten mijn eten te brengen, moet ik nog ontdekken. Waar je de bediening navraagt waar het eten blijft en ze in een hysterisch gekrijs uitbarsten, dan plotseling stoppen, negentig graden omdraaien en met een moonwalk naar de volgende tafel vertrekken.

De wereld is te voorspelbaar.

Ik zag een familie langs de haven lopen. Een vader, Johan 45, die plande wat te gaan doen tijdens zijn mid-life crisis, vergezeld door zijn vrouw, Maartje 38, die zich afvroeg wanneer hij voor het laatst haar hand had vastgehouden en waarom hij daarmee gestopt was. Ze gaapten naar jachten die ze nooit zouden kunnen betalen. Hun kinderen volgden een paar meter achter va en moe. Sloffend. Je kond hun miserie voelen. Hoe ze hun zonverbrande lichamen door een saaie zomervakantie sleepten in een stad die ze over tien jaar waarschijnlijk niet meer kunnen herinneren.

Er kwamen twee zigeuners voor het terras spelen. Een deuntje dat men binnen enkele seconden als de Lambada herkende. Ik spuugde mijn eten (Andouillette) dat me toch al niet zo beviel op mijn bord, betaalde en rende terug naar het hotel. Ik was moe. Moe om telkens weer de beleefde vreemdeling te spelen. Moe van small talk over waar ik vandaan kom en hoe het weer daar zo is. Ik miste een kompaan. Ik denk dat ik met name mijn vrienden miste.

Zomer in Berlijn

19/07/2010

Oef… en opeens was ik weer terug in Berlijn. Bewolkt Berlijn. Ik zit in achter in een taxi en luister naar het weerbericht voor de komende week dat me haast plichtsgetrouw door de taxichauffeur wordt voorgedragen. Aan zijn dialect hoor ik dat hij uit Oost-Berlijn komt. “Dit janze Jewitter” en andere kreten. De man heeft ongelooflijk dikke wenkbrauwen en doet me daarom denken aan een bepaalde Nederlandse politicus waarvan ik de naam niet meer weet.

Hij brengt me naar de Weichselstraße waar we een stukje achter de tram aanrijden.

Mijn bakker zit buiten met zijn vrouw een sigaretje te roken. “Ga je op reis?” vraagt ie. “Nee, ik kom zojuist terug.” Met een glimlach en een achso wordt de smalltalk afgesloten en ik ga verder met het broodnodige: “Drei Croissants und drei Mohnbrötchen bitte,” luid de bestelling. Ik vat nog een Club Mate uit het koelvak en overweeg een Spiegel of een Zitty te kopen. Ik besluit beide op de toonbank te laten liggen. Ik ga deze week toch weer op reis dus waarom zou ik me verdiepen in hetgeen hier gaande is?

Thuis liggen Jana en Leni nog op bed. Het is ook nog vroeg en Berlijnse zomernachten duren doorgaans lang. Ik leg de kadootjes (twee sjieke chopsticks en twee ultra hip gestylde koude oogmaskers tegen de zakjes onder de ogen.. u kent ze wel) op de keukentafel en schrijf op een briefje dat ze de kadootjes het beste niet tegelijkertijd gebruiken. Ik smeer een broodje met kaas. Echte kaas uit Nederland. Dat is een geluksmoment. Ik proef de polder.

In doe een dutje en in de tusentijd laat de zon haar gezicht zien.

’s Middags gaan we met z’n drieën naar het Mauerpark om over de enorme vlooienmarkt te struinen. In het Mauerpark heb ik tig zondagmiddagen verbracht en het blijft een schitterende pot-pourri van Selbstdarsteller. Ik ouwehoer wat met een paar zigeuners over Django Reinhardt en koop een paar postkaarten. Aan het einde van de middag koelt het langzaam af en heeft de zon een rode gloed op mijn gezicht achtergelaten. Op het grote grasveld waar ooit de Berlijnse muur heeft gestaan dans ik met mijn huisgenootje.

Het is zomer in Berlijn en dat is iets wat ik enorm gemist heb.

Tafelmanieren

14/07/2010

Het hotel waar ik deze week verblijf, bevindt zich aan de Robertson Quay. Downtown Singapore that is. Aan de hoge dichtheid van gepeupel in pak, zou je kunnen stellen dat er aardig wat grote bedrijven in deze omgeving liggen. Van de andere kant stikt het hier van de enorme kantoorcomplexen dus dat je veel zakenvolk tegenkomt is niets bijzonders.

In de nabijheid van de kade zijn twee McDonalds, twee Starbucks en een Subway te vinden. Na werktijd zitten er groepjes jonge vrouwen voor de Starbucks het schuim van hun koffie te lepelen. Een wereldwijd fenomeen. Het meest opvallend zijn de vele restaurants met Italiaanse “specialiteiten” als pizza en pasta en de modern ingerichte wijnbarretjes. Daar zit de Singayup na zessen te borrelen.

Voor het diner heb ik de afgelopen dagen meer authentische tenten opgezocht. Waar het eten met chopsticks naar binnen wordt geslurpt. Ik twijfel nog of ik het mijn ouders kwalijk moet nemen dat ze me deze aziatische tafelmanieren nooit bij hebben gebracht. Dat ze in India met de handen eten om te voelen of de consistentie van de rijst in orde is, kan ik nog begrijpen, maar waarom zou je met een rijstgerecht in stokgevecht gaan als je het ook makkelijk naar binnen kunt lepelen??

Het valt niet mee de Brabantse klei van me af te schudden..

Ter afsluiting een anektode uit het Hong-Kong restaurant om de hoek: gisteren kwamen er twee bejaarde Engelse stelletjes binnengesjokt. Een der grijsaards vroeg direct bij binnenkomst aan de serveerster wat voor vis er geserveerd werd. Het meisje begonnen gebarend een verhaal over hoe de vis gevangen en gefileerd werd en vervolgens in een wok wordt gekookt, gestoomd, gestoofd, gebakken of gefrituurd. De Engelsman schudde met zijn inmiddels rood aangelopen hoofd en herhaalde zijn vraag: “wat voor vis heppie!!??” Het meisje knikte vriendelijke het hoofd, deelde de menukaarten uit en liep glimlachend naar de volgende tafel. Op de achtergrond liet een Chinees keihard een boer.

Weggekropen wolkenflarden

12/07/2010

Er glinstert neonlicht over de Singapre river. Turquoise als ik het goed heb. Tien jaar geleden wist ik niets van het bestaan van deze kleur, maar het bleek de dispuutskleur van l’Attaque Attique, een damesdispuut dat op dinsdagavonden altijd bij me aan de bar hing. Gisteravond hing ik zelf aan de bar. Of eigenlijk was het zo’n ronde staantafel, u kent ze wel uit kroegen en andere etablissementen waar bier getapt wordt. Daar hing ik aldus met drie Duitsers om de WK finale te bekijken. “En waren ze dan wel voor Nederland?” Natuurljik waren ze voor Oranje. De Duitsers haten Spanje.

Persoonlijk vind ik Spanje best okay. Het land, de mensen, het eten en de muziek. Laten we het de komende twee jaar gewoon niet over voetbal hebben. Dat hebben we de afgelopen weken wel genoeg gedaan. Ik was gisteren blij dat het voorbij is. Opeens was iedereen een voetbal-analyticus. Nu kan de bakker voortaan weer gewoon zijn broodjes bakken, taxi-chauffeurs vertellen over hun afgebroken studies en de boeren klagen weer over het weer.

Vandaag ben ik hier voor het eerst met de metro gereden. Richting het Singapore Art Museum. Stampvol was de metro niet, maar er zaten mensen in. De meesten van hen zaten erbij alsof zojuist hun cavia Snuffie overleden was. “Maar Snuffie is niet dood,” riep ik naar mijn medereizigers, “hij leeft verder in onze gedachten,” vervolgde ik en bij het woord gedachten wees ik naar mijn hiel.

Ongebrip viel mij ten deel..

Thans zit ik aan een van de vele restaurants aan de Singapore River. Ik koos dit lokaal, omdat ze hun eigen bier brouwen. Aan de kade danst een klein Chinees meisje over de blauwe lichtjes. Ze draagt een roze shirtje en een zwart met wit gestipte broek. Zoals zovele Aziatische meisjes heeft ze een volle donkere pony. Dat schijnt al jaren in te zijn. Ze lacht en vertelt en danst en springt en als ze klaar is, wordt het stiller langs het riviertje. Op de achtergrond varen gemoedelijke enkele rondvaarboten voorbij. Ik vang gesprekken op van Engelsen die naast me zitten en de krekels zingen ongestoord hun nachtlied. In de hemel is zojuist de laatste wolkenflard verdampt of achter een hoog kantoorgebouw gekropen.

Op een heilige dag in Singapore

11/07/2010

Op weg naar Clarke Quay staat een fietstaxi naast de Singapore River geparkeerd. De fiets staat voor de tunnel die onder Clemenceau Avenue richting het eergenoemde centrum van vergenoegen voert. De “taxichauffeur” ligt half op het karretje dat hij de hele dag achter zich aan trekt. Zijn dikgespierde kuiten hangen over de railing van het hekje dat ons ervan weerhoudt een spontane duik in het kleine riviertje te nemen. Zijn petje heeft hij over de ogen geschoven. De man ziet er extreem ontspannen uit. Of extreem uitgeput. Het is moeilijk om iemand in te schatten als je hem nog niet kent.

Bij de ingang van de tunnel hangt een bord dat fietsen in de tunnel verbiedt. Er staat een boete van duizend dollar op. In de verte krabben hoge gebouwen aan paddestoelachtige wolken. Gisteravond hing er een gigantisch aambeeld in de hemel. Voor de kust lagen tientallen lege vrachtschepen voor anker. Op het vliegveld hoosde het. Ik zag onze koffers nat regenen en wist dat ik in Singapore was.

’s Avonds of eigenlijk ’s nachts ben ik in Clarke Quay voetbal gaan kijken. Het viel me voor het eerst op wat voor bedorven oord dat eigenlijk is. Overal lopen bezopen toeristen. Engelse expats met vette roodverbrande nekken dartelen er rond met Aziatische postituées aan hun zijde, maar het meest raakte me nog de laveloosheid der Singaporiaanse jeugd. Bij aankomst stonden reeds enkelen hun noodlesoup uit te hoesten en bij vertrek lagen er zelfs roerloos op de bodem met om hen heen enkele politieagenten, die probeerden hen weer bij bewustzijn te brengen.

Bezorgdheid en walging.. ergens deed het me aan Stratumseind denken.

Alles hier is op consumptie en carrière gericht. Rosa schreef dat haar roodharige bakker op zondag zijn bakkerij gesloten houdt, omdat het voor hem een heilige dag is. We begrijpen de bakker, maar ondertussen zit ik hier wel op zondag in een lunchroom in een van de vele shoppingmalls te schrijven.

Tegenover het winkelcentrum ligt een park met planten en bomen en vogels die me tijdens dit inmiddels derde bezoek steeds vertrouwder voorkomen. Het lijkt me een rustgevend park, iedereen is immers in het kunstmatig gekoelde winkelcentrum. Het park is een plek waar men doorheen wandelt en alleen met zijn gedachten is. En daardoor in het midden van zijn bestaan. Het is een heilige plek. Het is een heilige dag.. enfin, wat doe ik hier eigenlijk nog?

Een eerste optreden

09/07/2010

De afgelopen week was ik in Nederland. In Amsterdam om precies te zijn. Daar heb ik gewerkt en tweemaal in Utrecht met Snaer en co een voetbalwedstrijd gekeken. Dat was uitbundig. De straten stonden bol van hossende oranje massa’s. Er sprongen mensen in de gracht enzo.

Gisteravond ben ik terug in Berlijn gekomen. Daar knalde de zomer door de straten en wilde ik meteen op stap. Ik eindigde in het doolhof van het RAW complex. Op zoek naar een zestigjarige muzikant die ik in de trein had leren kennen. Ik vond hem niet. Wel was er een open bühne, waar ik na veel aandringen van vrienden op geklommen ben.

En nerveus dat ik was. Ik had nog nooit zo voor een groep van luisterende mensen gespeeld. Een publiek noemen ze dat geloof ik. Op straat ja.. of aan het kanaal in Kreuzberg.. daar had ik met Goran al vaker zitten spelen. Maar een echt bühne. Doodeng vond ik het!

Ik wist niet waar ik kijken moest, maar toen ik uiteindelijk op het podium zat en de eerste noten speelde, spoelde er een rustgevende golf over me heen. Ik speelde een Bulerias en een Rumba en merkte hoeveel ik het afgelopen jaar geleerd heb. Hoe zeker ik me voelde met die gitaar in de hand. Ik werd begeleid door een gast op mondharmonica en een meisje op percussie. We speelden zonder van te voren iets af te hebben gesproken. We keken en luisterden naar elkaar en volgende elkaars bewegingen. Tijdens het tweede nummer stonden er wat mensen op. Doch niet omdat ze weg wilde lopen, maar omdat ze begonnen te dansen. Toen we klaar waren met spelen klonk er gejuich en applaus en wist ik dat het goed was zo.

Hoe de zomer in mijn gedachten neerzeeg

01/07/2010

Het is bijna een betovering. Alsof er iemand een magisch poeder over me uitgeblazen heeft. Weken was ik melancholisch en zag ik achter elke wolk die me achtervolgde de kwade aard. Deze weken waren een aanschakeling van schaduwloze dagen. Grijs was de kleur van stad zoals ik haar achterliet en grijs is de stad ook lang gebleven.

Barcelona zal wel iets veranderd hebben.

Ik kreeg weer zin om veel te schrijven en loop weer glimlachend naar mijn werk. Naar de hemel lach ik af en toe. Omdat ik weet dat zij daar ook naar lacht. Ik voel me ontspannen en voldaan als aan het einde van een mooie dag.

Toen ik vanavond vanuit Prenzlauer Berg naar Friedrichshain fietste, proefde ik het zout op mijn lippen en op mijn armen stonden sproeten. Ik voelde hoe de wind door mijn haren woelde en mijn gezicht kuste en zag hoe diezelfde wind de zwaluwen, of Mauersegler zoals ze hier heten, de hoogte in blies, waarna ze zich krijsend naar beneden lieten gieren.

Mijn oude huisgenootje Maria is langsgekomen en vertelde dat haar zoontje zoveel lacht en vrolijk is. Het klopt. Ik heb hem gezien. Het is een mooi menneke. Ik hoor haar ’s avonds voor hem zingen en als ze piano spelen kon, dan zou ze de mooiste slaapliederen ter wereld spelen. Ze zegt: al zou het jong de hele kamer onder kotsen en het balkon erbij.. het blijft het liefste zoontje van de wereld. Dat soort dingen kan ik weer om lachen.

Wees gegroet Maria, gij zijt de gezegende onder de vrouwen. De zomer is neergezegen in mijn gedachten. Ik ben de grijze dagen vergeten en godzijdank de grijze dagen mij.